INSPIRATIE ESSAY  

NAAR EEN NIEUW PERSPECTIEF 

GERTRUD BLAUWHOF

Korte inhoud . 

 

Dit essay is geschreven naar aanleiding van de discussies over het begrip ‘commons’ en de importantie van klimaat en milieu. De notitie is als volgt opgebouwd: in par. 1 ga ik in op een aantal -tijdens de bijeenkomst ook genoemde- ontwikkelingen in de samenleving. In par. 2 bekijk en analyseer ik die ontwikkelingen vanuit verschillende theoretische en disciplinaire perspectieven. Onderwerp van par. 3 is conceptualisering van de samenleving. In par. 4 ga ik in op de vraag wat e.e.a. zou kunnen betekenen voor de beleidsmakers. Tevens schets ik enkele lijnen waarlangs verdere uitwerking en concretisering plaats kan vinden.

 

1        Plaatsbepaling – NL in historisch perspectief

 

Waarnemingen:

  • Opleidingsniveau van Nederlandse bevolking in de afgelopen decennia enorm gestegen. Achtergrond: Mammoetwet (1963/1968), doorstroming binnen middelbaar onderwijs mogelijk geworden, academisch onderwijs veel toegankelijk dan voorheen (m.n. voor middenklasse).
  • Participatie van vrouwen in onderwijs en arbeidsmarkt (fors) toegenomen (Wet Gelijke Behandeling 1982)
  • Tendens: toenemende democratisering en participatie in gehele samenleving. Voorbeeld: ‘doe-democratie’ en ‘participatieve democratie’: machtsoverdracht aan burgers op lokaal bestuurlijk niveau (2012).[1]
  • Globalisering in is de afgelopen decennia enorm toegenomen. Aanzienlijk deel van de ‘maakindustrie’ verdwenen naar (zuidoost) Azië.

o   De Amerikaanse sociologe en journaliste Barbara Ehrenreich heeft in haar boek Nickel and Dimed[2]: On (Not) Getting By in America (2001) de teloorgang van de Amerikaanse middenklasse buitengewoon treffend beschreven: één baan levert voor heel veel mensen bij lange na niet genoeg geld op om van te leven. Door globalisering en het verdwijnen van de maakindustrie is een aanzienlijk deel van de Amerikaanse middenklasse in armoede vervallen.

o   In Nederland en andere landen in Europa heeft zich eenzelfde ontwikkeling voorgedaan. Veel ‘maakindustrie’ is verdwenen (textiel, automotive, electronica, etc.), automatisering heeft sporen getrokken en de ‘diensteneconomie’ heeft opgang gemaakt.

o   Loonontwikkelingen in Europa zijn in vergelijking met VS misschien minder schrijnend maar absoluut aanwezig en aanwijsbaar.

  • Het protest van de gele hesjes in Frankrijk is typerend en tekenend: voor veel mensen wordt het steeds moeilijker om aan het eind van de maand de eindjes aan elkaar te knopen. Aankondiging van een prijsverhoging van benzine en gas in het kader van milieumaatregelen vormde de lont in het kruitvat. Via social media ontstond in een mum van tijd een omvangrijke en veelkoppige protestbeweging.
  • Het protest van de gele hesjes vond in België en Nederland navolging. Kern van het protest was ook hier: ‘het wordt ieder jaar moeilijker om aan het eind van de maand de eindjes aan elkaar te knopen’.
  • Wat de gele hesjes al wisten, ontdekken economen nu ook. Economen bij de Nederlandsche Bank (DNB) staan, aldus een recent artikel in Trouw (24/12/2018), voor een raadsel: de arbeider ziet zijn loon niet stijgen.[3] Data laten zien dat de zogenaamde ‘Philips-curve’, een macro-economische hoeksteen inzake de relatie tussen lonen en werkloosheid, niet meer ‘houdbaar’ is. Opvatting was dat er een relatie is tussen arbeidsproductiviteit en loonontwikkeling. Die relatie kan twee kanten op. Tegenwoordig groeien de lonen minder snel dan de arbeidsproductiviteit. In pecunia: een steeds groter deel van het BNP gaat naar “de bezitters van kapitaal en een steeds kleiner deel naar de leveranciers van arbeid”.[4]
  • In de afgelopen decennia was de economie wereldwijd gebaseerd op fossiele brandstoffen. Economen noemen het een Kondratieff of lange conjunctuurgolf (zie bijv. Schumpeter, Perez, Freeman): een periode van meerdere decennia gedurende welke bepaalde productiemiddelen alles bepalend zijn.[5] Andere begrippen zijn techno-economische paradigma of, historisch bezien, industriële revolutie(s). Voorbeeld uit het verleden is stoom.
  • Onbedoeld effect van de fossiele brandstof economie gedurende de afgelopen decennia is CO2 uitstoot. De Club van Rome waarschuwde begin jaren zeventig al voor opwarming van de aarde als gevolg van CO2 uitstoot.[6] Door tijd en globalisering is inmiddels sprake van een mondiaal klimaatprobleem. Ernst en urgentie daarvan worden internationaal erkend door bijvoorbeeld het IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). In NL staat het onderwerp hoog op de agenda van bijvoorbeeld het Planbureau voor de Leefomgeving. Tevens is het ministerie van EZ recentelijk hernoemd tot het ministerie van EZK – Economische Zaken en Klimaat (!). De debatten over de resultaten van de ‘Klimaattafels’ zijn in volle gang.

o   Naast klimaatverandering houdt ‘plastic soep’ in de oceanen en de bedreiging daarvan voor het leven in zee de gemoederen in toenemende mate bezig. Plastic is, gelijk CO2, product van een fossiele brandstof economie: de basiscomponenten komen uit ollieraffinage.

  • In tijd bezien een recentere ontwikkeling is de opkomst van ICT, internet, smartphones en sociale media.

o   Vrijwel iedereen heeft vandaag de dag een smartphone en maakt gebruik van intelligente software en social media. Het ‘ingeburgerd zijn’ komt tot uiting in de vele discussies over, bijvoorbeeld, de leeftijd waarop kinderen een eigen telefoon mogen hebben, welke rol smartphones in het onderwijs kunnen of moeten spelen, het om veiligheidsredenen bestraffen van het gebruik van telefoons (gesprekken, social media e.d.) in het verkeer, etc..

o   Bereik, aantallen en snelheid van social media zijn enorm: binnen hele korte tijd kunnen via ettelijke netwerken en talloze ‘social groups’ heel veel(!!) mensen gemobiliseerd worden. Voorbeelden te over: door een aankondiging op Facebook veranderende een tienerfeestje in Haren enkele jaren geleden in een ware oploop van jongeren. Talloos zijn ook de beelden van vluchtelingenstromen die m.b.v. smartphones een nieuwe toekomst proberen te vinden. Zeer recent: het protest van de gele hesjes - georganiseerd via social media.

o   Internet en smartphones maken economie en kennis/kennisproductie wereldwijd toegankelijk en bruikbaar. Gevolg is enorme versnelling in innovatieprocessen en productontwikkeling. Gevolg is versnelde emancipatie van en in minder ontwikkelde landen. Gevolg is mondiale migratiestromen.

o   Een in de afgelopen jaren vaak gehoord statement: ‘in de geschiedenis zijn veranderingen zijn nog nooit zo snel gegaan als nu’.

o   Wereldwijde toegankelijkheid van én de veelheid aan informatie heeft een tegenhanger: via social media ontstaan in toenemende mate groepen en groepjes die onderling één iets gemeen hebben, bijvoorbeeld een hobby, een gezamenlijke vriendenkring, woonachtig in dezelfde straat of wijk, leerling op eenzelfde school of in dezelfde klas, werknemer van een bepaald bedrijf, etc. etc.

  • Rationale: te midden van info veelheid en info overload gaat gericht vragen of overleggen het snelst!
  • In politiek opzicht: de opkomst van ‘single issue’ partijen.

 

 

2         Een abstractieniveau hoger

 

  • Stelling: onze manier van kijken naar de samenleving is door de tijd ingehaald.

o   De middenklasse van de 20e eeuw bestaat niet meer. In plaats daarvan is er in toenemende mate sprake van een middenklasse-plus en een middenklasse-min - een mk-plus en een mk-min. Het mk-plus bestaat grosso modo uit de HBO en WO opgeleide kinderen -en hun kinderen- van de naoorlogse middenklasse. Het mk-min uit de kinderen -en hun kinderen- van de naoorlogse middenklasse die geraakt zijn door de globalisering en het verdwijnen van de nationale maakindustrie.

 

 

  • Stelling: segmentatie van middenklasse komt tot uiting in het debat over klimaat en milieu.

o   Globalisering en milieuproblematiek gaan hand in hand. De ernst van klimaatverandering door CO2 uitstoot noopt tot ingrijpende maatregelen. In het draagvlak daarvoor toont zich de segmentatie van de middenklasse.

Het middenklasse-plus deel van de bevolking onderschrijft grosso modo de noodzaak van een energietransitie en is bereid -en in staat(!)- daar financieel aan bij te dragen in de vorm van isolatie, elektrische auto’s, andere energie-installaties, e.d.

Het middenklasse-min deel van de bevolking heeft daar simpelweg de (financiële) mogelijkheden niet voor.

In Frankrijk gingen de ‘gele hesjes’ en masse in protest; de door Macron voorgenomen milieumaatregelen vormden de spreekwoordelijke druppel. De kern van het protest: betalen voor milieumaatregelen door een ‘president-van-de-rijken’ terwijl wij het aan het eind van de maand nu al niet redden???

In Nederland debatteert men al geruime tijd over de vraag of energie- en CO2 besparende maatregelen de lagere inkomensgroepen niet onevenredig hard zullen treffen. Als voorbeeld: de gasprijzen zullen de komende jaren stijgen. Wie een eigen huis heeft, kan energiebesparende maatregelen treffen; wie een huurhuis heeft, is afhankelijk van een woningcorporatie.

 

  • Stelling: de samenleving transformeert van verticaal naar horizontaal, van hiërarchisch naar egalitair (?) / zonder rangorde

o   De opkomst van single issue groepen in bijv. sociaal of politiek opzicht via (en versnelt en vergemakkelijkt door) social media is reeds geschetst. E.e.a. betekent dat de ‘nieuwe wereld’ een samenleving is van ‘bubbles’ en cocons: van groepen mensen die via social media vooral onderling en met elkaar communiceren, levend in en bouwend aan hun eigen wereld en virtueel universum.

Die ontwikkeling wordt gefaciliteerd en versterkt door ICT. Platformen als Facebook of Google gebruiken intelligente algoritmen: de zoek- en communicatiedata van individuen wordt gebruikt om informatieaanbod (reclame!) daarop af te stemmen en toe te spitsen.[7] Voorbeeld: tijdens zoekacties verschijnen regelmatig zinnetjes als ‘ook voor u interessant?’, ‘anderen bekeken ook..’, etc.

Het effect: een trechter c.q. het rechteren van informatie. Informatieaanbod wordt enerzijds steeds gerichter en relevanter, anderzijds qua scope steeds beperkter.

De keerzijde: men raakt afgesloten van de rest van de wereld, de samenleving fragmenteert, de onderlinge onbekendheid neemt toe en de tegenstellingen worden groter.

o   In sociologische termen laat zich e.e.a. zich duiden en beschrijven in termen van ‘strong ties’ en ‘weak ties’.[8]

Basisbegrip is de frequenties van interacties tussen mensen: hoog-frequent c.q. ‘strong ties’ of ‘laag frequent’ c.q. ‘weak ties’.

Het gezegde ‘soort zoekt soort’ is illustratief: tussen mensen die elkaar liggen, bijv. vrienden, is sprake van ‘strong ties’; bij een toevallige ontmoeting tussen twee onbekenden, bijv. in de trein, is sprake van ‘weak ties’.

Interacties zijn sociaal cement: in het geval van ‘strong ties’ hebben mensen veel met elkaar te maken en delen zij (mettertijd) elkaars opvattingen, normen en waarden, etc. In het geval van ‘weak ties’ daarentegen is sprake van een zoekproces: betrokkenen kennen elkaar niet en moeten letterlijk op zoek naar een gemeenschappelijke taal, uit zien te vinden wie ‘de ander’ als persoon is, etc.

  • Beide type interacties zijn van belang in en bij innovatieprocessen.[9]

‘ Weak ties’ liggen aan de basis van radicale innovaties. Essentie: twee gescheiden, op zichzelf staande werelden c.q. constellaties van ‘strong ties’ raken elkaar via een toevallige ontmoeting c.q. ‘weak tie’.

In Schumpeter’s termen: aldus vormen zich ‘Neue Kombinationen’.[10]

Typische hedendaagse voorbeelden: Smart – Mercedes automotive & Swatch horloges, en Senseo – Douwe Egberts koffie en Philips consumer electronics.

‘Strong ties’ zijn voorwaarde voor het levensvatbaar maken, uitwerken en  doorontwikkelen van nieuwe ideeën. Men exploreert mogelijkheden om de ‘nieuwe combinatie’ in kwestie te concretiseren. In jargon: proces innovaties – het verbeteren van ingeslagen paden.

  • Beide type interacties zijn ook object van onderzoek geweest is resp. economie en taalstudies.

In economische termen staan ‘strong ties’ voor (relatief) lage transacties kosten.[11] Betrokkenen kennen elkaar en kunnen daardoor snel en makkelijk afspraken maken. Bijvoorbeeld in familie- of clanverband, vrienden of goede collega’s. Essentie: vertrouwen en reciprociteit vormen het primaire transactie- en betaalmiddel. Economische relaties waarbij sprake is van ‘weak ties’ zijn kostbaar: betrokkenen kennen elkaar niet dus borgen hun input en belangen langs formele weg – via contracten, juridisering, etc. Het transactiemiddel is eveneens geformaliseerd en gestandaardiseerd, namelijk geld.[12]

  • Het effect van de frequentie van sociale interacties in termen van taal is door Bernstein onderzocht.[13] In het kort: in het geval van ‘hoog frequente’ interacties (‘strong ties’) is sprake van ‘restricted language’; betrokkenen gebruiken afkortingen en groepsspecifieke taal (bijvoorbeeld woorden die binnen de groep een bepaalde betekenis hebben). In het geval van laag frequente interacties (‘weak ties’) is sprake van ‘elaborate language’: lange, expliciete zinnen, het gebruik van definities etc. Het tempo van interactie is navenant verschillend: snel kunnen schakelen in geval van ‘strong ties’ en ‘ restricted language’; tijd en papier vergende overleg- en afstemmingsprocessen in het geval van ‘weak ties’ en ‘elaborate language’.

Het moge duidelijk zijn waarom transactiekosten in het geval van laagfrequente interacties hoog zijn, en in het geval van hoogfrequente interacties laag zijn..

o   In de discussie in november is onder meer gesproken over ‘commons’. Het concept ‘commons’ is een historisch specifiek voorbeeld van ‘strong ties’. ‘Commons’ is een van oorsprong Engels begrip dat teruggaat op gemeenschappelijk gebruik van grond. Context: een agrarische samenleving zonder overheid als maatschappelijk vangnet. De commons vormde een door een lokale agrarische gemeenschap zelf gevormd vangnet: grond die van iedereen was en waar individuen in geval van tegenslag op terug konden vallen, bijv. door daar vee te kunnen weiden. In NL kennen we vergelijkbare begrippen, namelijk de ‘meent’ en de ‘enk’: gemeenschappelijk te gebruiken grond binnen resp. buiten een dorp. In veel plaatsen in NL zijn beide nog terug te vinden als (deel van een) straatnaam.

o   Andere in NL bekende noties die uiting geven aan zelforganisatie / zelforganiserende vormen van onderlinge zorg zijn ‘mienskipssin’ (Friesland, betekenis: gemeenschapszins) en ‘noaberschap’ (Twente en Achterhoek; betekenis: buren (noabers) in kleine gemeenschappen hebben de plicht elkaar waar nodig bij te staan). Beide begrippen zijn gestoeld op wederzijdse zorg voor elkaar in en binnen een bepaalde gemeenschap. Men zorgt en krijgt zorg terug; geld komt er niet aan te pas – wel soep, tijd en aandacht.

Een recent voorbeeld is het Broodfonds: zzp’ers die gezamenlijk hun eigen vangnet creëren door maandelijks een x bedrag in een fonds te storten waar individuen in geval van tegenslag vervolgens een beroep op kunnen doen.

Primair transactiemiddel in deze voorbeelden is vertrouwen: deelnemers kennen elkaar en vertrouwen erop dat individuen geen misbruik maken van de gemeenschappelijke middelen. Handhaving en controle zijn minimaal want de basis is wederzijdsheid én reciprociteit gestoeld op eigen belang, namelijk het gegeven dat tegenslag een ieder kan overkomen.

 

  • In een horizontale / gehorizontaliseerde samenleving zijn al die verschillende groepen gelijk aan elkaar. In het licht van hetgeen hierboven geschetst is, ontstaat dan het beeld van een samenleving als een wereld van eilanden met ‘strong ties’ als basis.

 

 

3         Samenleving opnieuw geconceptualiseerd?

 

Het idee van een samenleving als  eilandenrijk van ‘strong ties’ is nevenstaand gevisualiseerd: groepen individuen die als groep onderling veel communiceren en interacteren, en geen contact hebben met andere, qua dynamiek vergelijkbare groepen.

 

Fig. 1

Als dergelijke groepen de basis van een samenleving vormen, wat is dan die samenleving? Bestaat een / die samenleving?

 

Het verloop van innovatieprocessen laat zien dat er sprake is van een voortdurende opeenvolging van verschillende typen interactiepatronen.[14] Aan de basis van een systeeminnovatie -radicale innovatie zo men wil- liggen ‘weak ties’ – bijvoorbeeld een verbinding tussen groep Z en groep E. Om inventies -lees nieuwe ideeën c.q. ‘Neue Kombinationen’, verder te ontwikkelen en kinderziekten te boven te komen, is ‘dedicatedness’ nodig; toewijding en doorzettingsvermogen.[15] Concreet: één van beide groepen neemt het voortouw in het zoekproces en de verdere ontwikkeling, bij voorbeeld groep E. Als doorontwikkeling succesvol blijkt en kinderziektes overwonnen worden, dient zich een fase van commercialisering en diffusie aan. Hier geldt opnieuw: zoeken naar verbindingen naar andere werelden – dus opnieuw ‘weak ties’, bijvoorbeeld in de vorm van relaties met groep C en/of groep A, etc. etc.

 

 

Fig. 2

Het proces herhaalt zich voortdurend. Noem het opschalen, noem het volwassen worden, noem het lifecyclemanagement – het onderliggende mechanisme is hetzelfde. Differentiatie gevolgd door integratie gevolgd door differentiatie, etc.[16] De uitkomst van het proces is een mengelmoes, een ‘evolutionair fenomeen’, een caleidoscoop van alle inputs en kenmerkende eigenschappen vanuit de betrokken werelden resp. groepen – Z, E, C, A, etc..   

 

Is het een noodzakelijk proces? Het antwoord ligt in het begrip ontwikkeling: verandering, vernieuwing en innovatie vragen en vereisen interactie met een ‘buitenwereld’; zonder die interactie blijft alles altijd het zelfde, is alles inert.

 

Dat gezegd hebbende, is de volgende vraag: wat laat zich zeggen over bovenbeschreven interactie tussen de verschillende groepen? Over de pijlen tussen de verschillende groepen of clusters in figuur 2? In termen van de eerder geïntroduceerde begrippen betreft dat de vraag naar kenmerken van ‘weak ties’.

Gebruikmakend van het onderzoek van Bernstein naar taal, is met betrekking tot interacties van het type ‘weak ties’ het begrip ‘elaborate language’ geïntroduceerd. Taal waarin betekenis geëxpliciteerd is en die daardoor een brug kan vormen en een brugfunctie kan vervullen. Genoemd is taal die geformaliseerd is, waarvan definities onderdeel uitmaken, e.d. Voorbeeld bij uitstek is het juridisch discours. In het verlengde daarvan laat zich een basis van interactie benoemen: betrokkenen verplichten elkaar om elkaar als gelijkwaardig te erkennen op grond van rationele wederkerigheid – de rechtstaat.[17]

 

 

4       Nieuwe beleidslijnen.

 

Het voorgaande geschetst hebbende, is de vraag: hoe verder? Welke rol zouden beleidsmakers kunnen en willen spelen in een dergelijk samenspel tussen groepen in een ‘horizontaliserende’[18] / egalitair wordende samenleving?

 

Een aantal lijnen laat zich schetsen.

  1. Het faciliteren van interacties tussen verschillende in zich zelf besloten groepen c.q. werelden. Anders gezegd: het faciliteren van ‘weak ties’. Belang daarvan ligt in het faciliteren van maatschappelijke innovatie en economische ontwikkeling.

Als het voorgaande valide is, betekent e.e.a. een verder (na)denken over ‘elaborate language’ en vermoedelijk in het bijzonder over de juridische aspecten en vraagstukken van interactie tussen(!) op ‘strong ties’ gebaseerde groepen.

Een vraagstuk dat zich daarbij zal aandienen, betreft aggregatie en abstractie: uit onderzoek blijkt dat telkens wanneer een ‘weak tie’ tot wasdom komt, er een nieuw concept gedefinieerd wordt dat de onderlinge situatie (twee verschillende groepen met ieder eigen taal en begrippen) omvat en includeert.[19] Anders gezegd: aggregatie en abstractie lijken gestoeld te zijn op het principe van geneste structuren.[20] Een vraag die zich daarmee ook aandient, betreft de locaties van interacties. Is de markt een voorbeeld van aggregatie en abstractie? Een geneste structuur?

  1. Een tweede lijn betreft het verbinden van hetgeen bovenstaand beschreven is met het vraagstuk van milieu en klimaat. De noodzaak en urgentie evenals het belang daarvan staan m.i. buiten kijf.

Een lijn van denken die ik persoonlijk de moeite van verder verkennen waard vind, is een door Dorien Pessers gelegde relatie tussen klimaat en erfrecht.[21] De beoogde uitkomst: een ecologische rechtstaat die handen en voeten geeft aan het begrip ‘rentmeesterschap’ en waarin gewaarborgd is dat de aarde als erfrechtelijke waarde en verplichting tussen generaties wordt overgedragen.

Een verbinding tussen hetgeen Pessers betoogt en hetgeen hierboven is geschetst, ligt nabij. Pessers gaat uit van wederkerigheid als onophoudelijk circulair proces van geven, ontvangen en teruggeven. Die opvatting sluit naadloos aan bij hetgeen hierboven over ‘commons’ en andere voorbeelden van ‘strong ties’ is gezegd. Haar pleidooi is om, denkend langs de lijnen van erfrecht, generaties van de toekomst in die wederkerigheid een plaats te geven. Als voorbeeld: ‘noaberschap’, een zorgplicht jegens buren, zou zich in dat geval moeten uitstrekken tot een zorgplicht jegens toekomstige generaties.

  1. Een derde lijn is om verder na te denken over de succes- en faalfactoren van initiatieven zoals de ‘commons’, het broodfonds en noties als ‘mienskipssin’ en ‘noaberschap’.[22] In termen van hetgeen in eerdere paragrafen is geschetst, hebben we het dan over de succes- en faalfactoren van ‘strong ties’.

Het belang daarvan is gelegen in de verander(en)de relatie tussen overheid en burger: zelfredzaamheid van burgers zet in toenemende mate de toon. Concepten en voorbeelden van wederzijdse zorg door zelforganisatie zijn dan uiteraard relevant in de context van debat over de relatie tussen overheid en burgers.

Een tweede reden waarom deze lijn van denken van belang is, houdt verband met klimaat, duurzaamheid en businessmodellen in de deeleconomie. Mensen met ‘strong ties’ hebben met elkaar iets gemeen(schappelijk). In het geval van de ‘commons’ grond, in het geval van het ‘Broodfonds’ een pot met geld. Dat wat mensen gemeenschappelijk kunnen hebben, is heel divers.[23] In de context van milieu en klimaat zijn er voorbeelden van het delen van daken t.b.v. het opwekken van zonne-energie en het gemeenschappelijk bezitten van windmolens en andere vormen van collectieve lokale energievoorziening en -beheer.[24] 

Voor de hand liggend in dit geval is om onderzoek van Elinor Ostrom nader te bekijken. Ostrom is Amerikaans politieke wetenschapper en Nobelprijswinnaar Economische Wetenschappen.[25] Haar onderzoek richt zich op ‘common-pool resources’ (CPR): cases waarin mensen bepaalde resources ((hulp)middelen) delen.[26] Ostrom heeft talloze cases geanalyseerd en bevindingen gesystematiseerd. De resultaten daarvan hebben geleid tot een aantal ‘design principles’ voor groepen die (im)materiele zaken met elkaar willen delen.

  1. Een vierde thema dat verder nadenken behoeft, betreft het vraagstuk van coördinatie, afstemming en schaal. Een van de ‘design principles’ van Ostrom betreft de omvang van groepen waarin mensen resources delen. Daar waar vertrouwen een transactiemiddel is, wordt de omvang van een groep bepaald en beperkt door het aantal mensen met wie een wederzijdse relatie van vertrouwen onderhouden kan worden. Daarmee stelt zich de vraag naar omvang en schaal: hoe groot kan een collectief gericht op, bijvoorbeeld, gedeeld bezit van voorzieningen voor energieopwekking en -beheer worden? Kan een dergelijk initiatief groeien? Hoe, in welke mate en tot welke omvang? Vragen die aansluiten bij hetgeen hierboven onder punt 1 reeds genoemd is, namelijk vraagstukken betreffende abstractie en aggregatie van sociale interacties en hun resultaten. Vragen betreffende de overheid in een nieuwe hoedanigheid…

 

[1] A. Kok, Herinnering aan de rechtsstaat. Pleidooi voor serieus openbaar bestuur. www.trancity.nl, 2018.

[2] Een woordspeling op Doomed: verdoemd

[3] Economen staan voor een raadsel: de arbeider ziet zijn loon niet stijgen. Trouw 24/12/2018

[4] Economen staan voor een raadsel: de arbeider ziet zijn loon niet stijgen. Trouw 24/12/2018. Eenzelfde analyse maakt Thomas Piketty in zijn boek Kapitaal in de 21e eeuw (2013)

[5]  Schumpeter, J. 1939. Business cycles. Eastford: Martino Pub.; Perez, C. 2002. Technological Revolutions and Financial Capital: The Dynamics of Bubbles and Golden Ages. London: Elgar;  Freeman, R. and Louca, F. 2001. As time goes by: From the industrial revolutions to the information revolution. Oxford: Oxford University Press.

[6] D. Meadows, Limits to Growth, 1972

[7] Het business model van alle financieel gratis te gebruiken Internet diensten en applicaties is gebaseerd op slimme algoritmen in combinatie met de data die gebruikers tijdens hun zoekproces ‘achterlaten’. Die combinatie biedt de mogelijkheid tot gerichte marketing, advertising en (politieke) beïnvloeding, en daar willen de klanten van bedrijven als Google en Faceboek grif voor betalen.

[8] Granovetter, M.S., 1973, The strength of weak ties, American Journal of Sociology, vol. 78, no. 6, pages 1360-1380.

[9] Proefschrift schrijver dezes, The non-linear dynamics of technological developments, UvA 1995

[10] Schumpeter, J. 1939. Business cycles. Eastford: Martino Pub.; Schumpeter, J. 1942. Creative destruction. Capitalism, socialism and democracy. New York: Harper.

[11] Williamson, O. 1975. Markets and Hierarchies: Analysis and Antitrust Implications. New York: Free Press.; Williamson, O. 1981. The economics of organisation. America Journal of Sociology. Vol 87. pp. 552

[12] Locatie van interactie is overeenkomstig: de markt – onpersoonlijk en formeel.

[13] Bernstein, B., 1971/1973, Class, Codes and Control, Vol. 1, Theoretical studies in the sociology of language, Paladin (first published by Routledge & Kegan Paul)

 

[14] Proefschrift auteur, zie eerdere voetnoot

[15] Het onderscheid tussen inventie en innovatie wordt vaak vergeten doch is essentieel. Een inventie betreft een nieuw idee. Een innovatie is een nieuw idee waar men voor wil betalen, waar markt(!) voor is. In theoretische termen: het gaat om de match tussen technology push en demand pull. Zie Nelson, R, en Winter, S., 1982.  An evolutionary theory of economic change. Cambridge: Belknap press.

[16] Proefschrift auteur, zie eerdere voetnoot

[17] Dorien Pessers, Rechtstaat voor beginners, 2011

[18] Graag suggesties voor een betere term!

[19] Bernstein en proefschrift auteur, zie eerdere voetnoten.

[20] Zie ook Williamson, eerdere voetnoot, en E. Ostrom, Governing the Commons. The Evolution of Institutions for Collective Action, Cambridge UP 1990/2015

[21] Marcel ten Hooven, interview met Dorien Pessers getiteld ‘Na mij geen zondvloed. Het rentmeesterschap van Dorien Pessers’, De Groene Amsterdammer, 20 december 2018 (jrg 142, nr. 51-52), p. 34 - 37

[22] Faalfactoren zijn ook van belang, getuige het voorbeeld van de ‘commons’. Deze zijn ten onder gegaan doordat eigen belang de boventoon ging voeren over wederkerigheid en gemeenschapszin en gemeenschapsplicht. ‘The tragedy of the commons’ was dat gemeenschappelijke grond door overbegrazing voortkomend vanuit individueel belang uitgeput raakte.

[23] Vakterm is asset sharing. Assets zijn alle middelen waarover een bedrijf -of een persoon- beschikt. Materieel, bijvoorbeeld machines, gereedschappen, gebouwen etc, en immaterieel: kennis, relaties, ‘tacit knowledge’, etc.

[24] Blauwhof, Spiering, Verbaan, Samen Sneller Slimmer. Innoveren in de bouw. Uitgeverij Blauwdruk 2013

[25] Vermeldenswaard is dat Ostrom de Nobelprijs samen met Williamson (zie par. 2) ontvangen heeft.

[26] E. Ostrom, Governing the Commons. The Evolution of Institutions for Collective Action, Cambridge UP 1990/2015

%MCEPASTEBIN%

Onze missie is onze cliënten bij te staan bij strategische innovaties van hun organisatie.

 

Wij werken vraaggericht omdat elke innovatie uniek is met een eigen vertrekpunt en een eigen context.

 

Partnership met de cliënt staat altijd centraal.

 

Maatschappelijk ondernemen en verduurzaming van de samenleving zijn in dit tijdsgewricht onmisbare doelen.

Klik hier om een tekst te typen.